Het is vandaag zomer. Het regent hier al de hele ochtend en het ziet er niet naar uit dat het ooit nog opknapt. Dit soort weer doet me altijd denken aan één bepaalde kampeervakantie met het hele gezin, ergens in Overijssel. We stonden een beetje achteraf, in een stukje bos (nooit op een veldje!) waar het wemelde van de bosbessenstruiken. Dagen achtereen had het geregend. Van die niet aflatende regen, net iets harder dan miezeren en het was windstil, dus die regenwolken gingen helemaal nergens naar toe. Alles wat je uit je koffer haalde was vochtig, alle “leuke” binnen-activiteiten hadden we al gedaan, boeken waren uit, binnenspelletjes niet meer leuk en we waren zelfs te apathisch om nog ruzie te maken. Van dat weer waar buitenland-kampeerders altijd bij voorbaat voor vluchten.

Iedere dag checkten we bij een buurman met TV wat Pelleboer (de weerman van mijn jeugd) gezegd had en iedere dag hoorden we hetzelfde. “Het blijft voorlopig zo.”

Toen was daar, na dagen en dagen (voor mij voelde het als weken), eindelijk dat moment dat het stiller werd. En lichter. Echt, het werd lichter. Op het tentdak drupten de bomen nog na, maar het leek wel… droog! En even later, niemand durfde het te geloven, maar daarboven, heel voorzichtig, begon de zon door de wolken te breken.

En toen hoorden we een geluid. Het klonk als klappen. Mijn zus en ik deden de tent open, trokken onze laarzen aan en liepen naar het veldje. Daar stond een buurman, middenop het veld, hoofd in de nek, gelukzalige blik op zijn gezicht, langzaam te applaudisseren. Voor de zon. Terwijl we toekeken kwam er een andere buurman naast hem staan klappen. Mijn zus en ik renden naar hen toe en begonnen mee te klappen. Eén voor één kwam mensen hun tent uit en voegden zich bij ons. Vijf mensen, acht, vijftien… Het applaus zwol aan. Van andere veldjes kwamen meer mensen toegesneld om te kijken wat er aan de hand was. Ze klapten mee. Twintig mensen, dertig? Ik was jong, dus voor mijn gevoel waren we wel met honderden.

Niemand zei iets. Niemand lachte. Ik keek onder het klappen om me heen en voelde een enorme verbondenheid met al die mensen. Wíj deden dit. Na een tijdje hield de eerste buurman op met klappen. Het applaus stierf langzaam weg. Buurman wisselde met enkele mensen een vergenoegde blik en stapte toen, met veel gevoel voor drama, plechtig terug naar zijn tent, pakte zijn tuinstoel en ging nadrukkelijk in de zon zitten.

Heerlijke jeugdherinnering.

En volgens mij wordt het al lichter…